Dat beloof ik

De kantonrechter die de vier getuigen ging verhoren had er zin in.

Iedere getuige kreeg een keurige uitleg van wat er werd verwacht, waarna de rechter het formele deel besloot met de woorden: wilt u mij dan nazeggen, dat beloof ik?

Dat beloof ik!

Dank u wel, dan staat u nu onder ede.

Zo ging het de hele ochtend door. Totdat een van de getuigen, kennelijk zo bevangen door de zenuwen, de toch eenvoudige vraag van de rechter om zijn woorden te herhalen tot vijfmaal mislukt zag.

'Wilt u mij dan nazeggen, dat beloof ik?'

‘Ja.’

‘Nee, u moet de woorden nazeggen.’

‘Ja.’

‘Nee nee, het is de bedoeling dat u letterlijk zegt dat beloof ik.’

‘Ja!’

Gelukkig won het doorzettingsvermogen van de rechter het van de immer aanwezige tijdsdruk en na enkele minuten oefenen slaagde de getuige erin om luidkeels en met een grote glimlach de woorden ‘dat beloof ik’ uit te spreken.

Nog een geluk dat deze getuige er niet voor koos om de eed af te leggen.

Eed

Bij het afleggen van een eed gelden namelijk aanzienlijk zwaardere formaliteiten. Volgens de Wet Vorm van de Eed moet iemand die een eed aflegt de twee voorste vingers van zijn rechterhand opsteken en de volgende woorden uitspreken: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig". Die wet is erg oud, dat geef ik onmiddellijk toe. Om precies te zijn uit 1911.

Maar toch. De inhoud geldt nog altijd.

Ik durf te wedden dat het gaan staan en met de twee voorste vingers in de lucht "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig" verklaren, de zenuwachtige getuige nooit zou zijn gelukt.