Dat beloof ik

De kantonrechter die de vier getuigen ging verhoren had er zin in.

Iedere getuige kreeg een keurige uitleg van wat er werd verwacht, waarna de rechter het formele deel besloot met de woorden: wilt u mij dan nazeggen, dat beloof ik?

Dat beloof ik!

Dank u wel, dan staat u nu onder ede.

Zo ging het de hele ochtend door. Totdat een van de getuigen, kennelijk zo bevangen door de zenuwen, de toch eenvoudige vraag van de rechter om zijn woorden te herhalen tot vijfmaal mislukt zag.

'Wilt u mij dan nazeggen, dat beloof ik?'

‘Ja.’

‘Nee, u moet de woorden nazeggen.’

‘Ja.’

‘Nee nee, het is de bedoeling dat u letterlijk zegt dat beloof ik.’

‘Ja!’

Gelukkig won het doorzettingsvermogen van de rechter het van de immer aanwezige tijdsdruk en na enkele minuten oefenen slaagde de getuige erin om luidkeels en met een grote glimlach de woorden ‘dat beloof ik’ uit te spreken.

Nog een geluk dat deze getuige er niet voor koos om de eed af te leggen.

Eed

Bij het afleggen van een eed gelden namelijk aanzienlijk zwaardere formaliteiten. Volgens de Wet Vorm van de Eed moet iemand die een eed aflegt de twee voorste vingers van zijn rechterhand opsteken en de volgende woorden uitspreken: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig". Die wet is erg oud, dat geef ik onmiddellijk toe. Om precies te zijn uit 1911.

Maar toch. De inhoud geldt nog altijd.

Ik durf te wedden dat het gaan staan en met de twee voorste vingers in de lucht "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig" verklaren, de zenuwachtige getuige nooit zou zijn gelukt.

Foutje bedankt

Ook rechters vergissen zich weleens. Het mag niet voorkomen, maar toch gebeurt het.

In een arbeidszaak vroeg een werknemer de rechter om de arbeidsovereenkomst met zijn werkgever te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Na een schriftelijke ronde waarin partijen hun standpunten hadden neergelegd, volgde er eind december een mondelinge behandeling waar de advocaten en hun partijen een toelichting gaven. Dat de rechter de arbeidsovereenkomst zou beëindigen stond wel vast. Als een werknemer niet meer voor een werkgever wil werken, dan kan hij niet gedwongen worden. Dwangarbeid is al heel lang verboden.

Nee, het ging alleen nog om de datum waarop de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden en de hoogte van een eventueel aan de werknemer toe te kennen vergoeding.

Toen ik op de dag van de uitspraak met de rechtbank belde kreeg ik een vriendelijke griffiemedewerkster aan de lijn. De uitspraak was nog niet verzonden. Een conceptversie lag bij de rechter. Die zou er nog één keer goed naar kijken, dan een stempel en een handtekening zetten, waarna de beschikking per fax verzonden zou worden.

Enkele uren later ontving ik inderdaad de aangekondigde fax. Maar of de rechter er werkelijk nog een keer goed naar gekeken had, waag ik te betwijfelen.

Bovenaan de uitspraak stond beschikking van de kantonrechter d.d. 5 januari 2010. Bedoeld was 5 januari 2011. De kantonrechter had misschien zijn dag niet. Rechters zijn ook maar mensen.

Verder in de uitspraak, onder het kopje beslissing stond: De kantonrechter ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 15 januari 2010. Oeps. Ook niet goed. Een arbeidsovereenkomst kan niet met terugwerkende kracht ontbonden worden. Dat weet die rechter ook wel. Een vergissing dus.

Of had deze kantonrechter soms een hekel aan cijfers? Want bij het onderdeel beoordeling van het verzoek bleek er nog iets fout te zijn gegaan. In de uitspraak stond weliswaar -correct- vermeld dat de betreffende werknemer geboren was op 28 december 1970 en in dienst is sinds 1 januari 2003 tegen een bruto salaris van € 2.136,-, maar ook:

De kantonrechter komt voorts tot het oordeel dat in het kader van de ontbinding een vergoeding aan de werknemer dient te worden toegekend met toepassing van de kantonrechtersformule. Gelet op al de hiervoor genoemde omstandigheden, alsmede op de duur van het dienstverband en het feit dat partijen wel gedurende langere tijd op een normale wijze hebben samengewerkt alsmede gelet op het feit dat niet is vast te stellen in hoeverre een van partijen in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt van de verstoorde relatie en dit in de risicosfeer van beide partijen ligt, terwijl ook de verwijten over en weer onvoldoende zijn onderbouwd, zal de C factor op 0,5 worden gesteld. Aldus zal de vergoeding worden bepaald op een bedrag van € 13.841,-.

Nee toch. Het genoemde bedrag van € 13.841,- is nu juist gebaseerd op de factor C is 1. De rechter is vergeten het bedrag door 2 te delen. Een misser. Of zoals het juridisch heet, een kennelijke misslag.

Wat nu? De wet sluit hoger beroep tegen een dergelijke beslissing uit.

Gelukkig is er artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die bepaling geeft de rechter de mogelijkheid een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere fout te herstellen.

Rechterlijke uitspraken hebben een dimensie van gelding. Anders gezegd, een rechter heeft altijd gelijk.

Behalve als hij zich vergist dan.