Buurman en buurman

De rechtbank Alkmaar heeft op 2 mei een mooi vonnis gewezen in een strafzaak die ging over de vraag hoe het gedrag van een verdachte juridisch gekwalificeerd zou moeten worden. Aan waarheidsvinding hoefde niet veel tijd te worden besteed; alle betrokken partijen waren het er in grote lijnen wel over eens wat er was gebeurd.

Maar welk juridisch etiket moest er op de verboden handelingen worden geplakt?

Een vijftigjarige verdachte drong op 8 januari van dit jaar in Kreileroord met een jachtgeweer het huis van zijn overbuurman binnen, waarna tijdens de worsteling die volgde een schot werd gelost. Gelukkig raakte er niemand gewond. RTV Hollands Kroon schreef op 20 april 2012 uitgebreid over de zaak. 

De officier van justitie was van mening dat het gedrag van de verdachte als poging tot moord, dan wel poging tot doodslag gezien moest worden. Door tijdens de ontstane wordteling een vinger bij de trekker van het geladen geweer te houden heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het wapen tijdens die worsteling zou afgaan en het slachtoffer gedood had kunnen worden, zo vond de officier. 

Tijdens mijn pleidooi op 18 april heb ik ondermeer aangevoerd: 

'Verdachte heeft weliswaar een wapen meegenomen, maar voor de aanmerkelijke kans dat iemand hierdoor dodelijk wordt verwond is meer nodig. Verdachte was zich in ieder geval niet bewust van deze aanmerkelijke kans en heeft deze ook niet bewust aanvaard. Bovendien was sprake van een worsteling en het trekken aan de verdachte door de aangever waardoor het wapen is afgegaan. Deze van buitenaf komende handeling was nodig om het gevolg te laten intreden. Gelet op het standaardarrest over voorwaardelijk opzet (NJ 2003, 552) is hiervan in het onderhavige geval geen sprake.'

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van poging tot moord en poging tot doodslag en overweegt het volgende:

'Om tot een bewezenverklaring van de poging tot moord dan wel de poging tot doodslag te kunnen komen, dienen de vragen te worden beantwoord of de verdachte het voornemen had een moord of doodslag te plegen en of dit voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad zijn gedragingen aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, als zij naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Daarnaast is het noodzakelijk dat de uitvoeringshandeling door de verdachte is verricht. De in de tenlastelegging opgenomen uitvoeringshandeling is het (meermalen) overhalen van de trekker van dat vuurwapen. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van de verdachte noch uit die van de aangever blijkt dat de verdachte die feitelijke handeling heeft verricht. De aangever heeft immers duidelijk verklaard dat hij wilde dat het wapen afging en dat hij degene was die zijn hand over die van de verdachte heeft gelegd en met zijn middelvinger heeft geprobeerd om de trekker over te halen, hetgeen hem uiteindelijk door hard te trekken lukte (...).'

Wel is de verdachte veroordeeld wegens bedreiging en verboden wapenbezit. Dat wekt geen verbazing. De verdachte zelf had verklaard dat hij de aangever de angst van zijn leven wilde bezorgen. Volgens de rechtbank past de gedraging van de verdachte in dat beeld.

Aangezien voor bedreiging en overtreding van de Wet wapens en munitie straffen van een geheel andere orde worden opgelegd dan voor poging tot moord of doodslag, zal de verdachte binnenkort vrijkomen. Of de verdachte dan weer zijn intrek in zijn eigen woning zal nemen, gelegen tegenover de woning van de bedreigde, is nog niet bekend.

Algemeen belang

De rechtbank in Alkmaar heeft vandaag een man uit West-Graftdijk veroordeeld wegens ontucht. De verdachte kreeg een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaren. Bij de behandeling van zijn strafzaak veertien dagen geleden hoorde de man nog 4 jaar cel tegen zich eisen.

Zoals gebruikelijk heeft de rechtbank in het vonnis ook beslist dat een aantal in beslag genomen spullen moeten worden vernietigd. Het gaat daarbij om computers, dvd's en papieren. Zaken waar misdrijven mee worden gepleegd of die in strijd zijn met de wet, worden nooit aan een verdachte teruggeven.

Zo krijgt bijvoorbeeld iemand die wordt vrijgesproken van het dealen van cocaïne, de in beslag genomen drugs niet terug. De Staat zou dan immers verantwoordelijk zijn voor het in omloop brengen van verboden waar.

Ook kan de rechter van veroordeelden voorwerpen afnemen die schadelijk zijn of voor het plegen van misdrijven gebruikt kunnen worden. Om die reden worden wapens nooit teruggeven en moet ook inbrekersgereedschap uit de maatschappij verdwijnen.

Begrijpelijk en alleszins redelijk.

In de uitspraak van de Alkmaarse rechter is op dit punt echter iets opvallends te vinden. Naast in beslag genomen computers en dvd's kreeg de verdachte nog een voorwerp niet terug. Een bij de verdachte inbeslaggenomen kunstvagina (Pardon my French) moet volgens de rechtbank worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.

Nu durf ik te zeggen dat mijn fantasie oneindig is en mijn juridische creativiteit best behoorlijk, toch heb ik in dit geval moeite om mij voor te stellen waarom kunstvagina's uit de maatschappij zouden moeten verdwijnen. Zijn die dingen schadelijk voor de gezondheid? Is er een wet die het bezit verbiedt? Of is het ongecontroleerde bezit ervan wellicht schadelijk?

Waarschijnlijk hebben de Alkmaarse magistraten die het vonnis hebben gemaakt zich dit allemaal niet afgevraagd. Als het algemeen belang als argument komt opdraven, weet je vaak wel dat andere, overtuigende argumenten niet voorhanden waren.

Wat is het algemeen belang eigenlijk?

Opeens besef je dat een universitaire opleiding ook niet zaligmakend is.

Noodweer

Dit stuk gaat niet over regen en storm. Met de term noodweer bedoel ik het handelen uit zelfverdediging.

Volgens artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

De strafzaak waarin ik vandaag als raadsman optrad, handelde over de vraag of de verdachte van mishandeling een rechtvaardigingsgrond had voor haar gedrag. Mijn pleidooi heb ik in zijn geheel hieronder opgenomen.

Click here to download:
PLEITNOTA_BLOG.docx (14 KB)
(download)

De politierechter was van oordeel dat de verdachte alternatieve mogelijkheden (weglopen, hulp halen) onbenut had gelaten en wees het beroep op noodweer af. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van één jaar.

Het vonnis van de rechtbank in Rotterdam waar ik in mijn pleidooi naar verwees, is hier te vinden.

Willekeur

Het vak van rechter is eenvoudig en overzichtelijk. Je wordt voor het leven benoemd en toetst gedrag van burgers, bedrijven en instanties aan de wet. En de wet zelf, daar bemoei je je niet mee, daar zijn anderen voor.

Simpel. Iedereen zou het kunnen.

Rechters zijn verder net echte mensen, ze moeten zich uiteraard zelf ook aan de wet te houden.

Behalve als het de rechter niet goed uitkomt. Dan hoeven ze zich van de wet niets aan te trekken.

In Amsterdam heeft de meervoudige strafkamer op 14 november 2011 een uitspraak gedaan die vermoedelijk nog veel stof zal doen opwaaien. Dat hoop ik althans. Want onomwonden en welbewust hebben de rechters in kwestie de wet aan hun laars gelapt. Niet zonder reden en -dat moet gezegd- met een flinke dosis lef trekken de rechters de wetgever van haar democratische stoel om er vervolgens zelf op te gaan zitten.

'Wij toetsen als magistraat de wet en als wij denken dat het een slechte wet is, dan maken we zelf wel een nieuwe.'

Een verdachte van een aantal verkrachtingen en aanrandingen werd door de Amsterdamse rechters in kwestie schuldig bevonden. De maximaal op te leggen gevangenisstraf was 4 jaar en 3 maanden, dit als gevolg van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Maar die maximale straf vond de rechtbank veel te licht.

Met als argument dat de maximale gevangenisstraf niet zou zijn uit te leggen aan de samenleving in het algemeen en de slachtoffers in het bijzonder, veroordeelde de rechtbank de verdachte tot 10 jaar cel.

Weliswaar was de rechtbank gebonden aan de wet; men voelde zich echter niet gebonden. En kennelijk konden de gewetens van de magistraten met die drogredenering schoongespoeld worden.

Het recht is ondermeer ontstaan om chaos en willekeur te voorkomen.

Het parlement mag als wetgever worden beïnvloed door de publieke opinie. Maar rechters die hun oren laten hangen naar de gevoelens in de samenleving, whatever that may be, zouden zich moeten schamen.

Herinnering -update-

De rechtbank Haarlem heeft gisteren de verdachte die geen enkele herinnering meer had en waar ik eerder over schreef, toch veroordeeld. Als het standpunt van de verdachte dat hij iedere wetenschap omtrent het delict mist al juist is, ontslaat hem dat kennelijk niet van zijn juridische aansprakelijkheid.

De verdachte kreeg een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden waarvan 5 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Hij beraadt zich op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

Koepel

 

Herinnering

Op een zaterdagmiddag loopt een gewonde man het politiebureau in een Noord-Hollands dorp binnen. Hij komt aangifte doen van mishandeling. Nadat hij zijn naam heeft genoemd gaan alle alarmbellen af. De politie is namelijk al een uur op zoek naar hem.

Dezelfde man is 's-ochtends om 9.00 uur na bijna een jaar voorarrest vrijgelaten uit het Huis van Bewaring. De rechtbank had hem veroordeeld voor betrokkenheid bij een ernstig geweldsdelict maar in afwachting van het hoger beroep ging de deur van Hotel De Houten Lepel open. We noemen de man Arie maar het zal duidelijk zijn dat hij in werkelijkheid anders heet.

Na zijn vrijlating had hij zijn vrouw geknuffeld en ging voor een ommetje de straat op. Maar al snel lonkte het café. Arie ging een biertje drinken. Dat had hij lang niet gedaan.

Een biertje werden er twee, drie, vier en het was erg gezellig. Tot er een kleine ruzie ontstond. En wat doe je als je er niet bij betrokken bent? Dan ga je proberen te sussen. Maar dat sussen lukte niet echt. Uit getuigenissen valt op te maken dat er op enig moment een gevecht aan de gang was zoals je ze vroeger veel zag in Duitse B-films.

Bij Arie ging het licht uit toen hij later op een bankje in een park wakker werd. De klap met een barkruk had hij niet kunnen handelen. De verwondingen aan zijn hoofd en een vage herinnering deden hem besluiten aangifte te doen.

Bij binnenkomst in het politiebureau veranderde Arie van slachtoffer in verdachte. Er waren namelijk diverse mensen in het café geweest die gezien hadden dat Arie na het gevecht was vertrokken, wankel lopend en dreigend "dat ze nog wel van hem zouden horen". Tien minuten later was Arie teruggekomen naar het café, waar hij zonder aarzelen een bezoeker waarvan later bleek dat deze bij het gevecht niet eens aanwezig was geweest, met een groot mes in zijn buik en benen stak om vervolgens definitief te vertrekken. Waarna hij in het park wakker werd.

In alle latere verhoren bij de politie verklaarde Arie dat hij geen idee had of hij iemand gestoken had. Iedere herinnering op dat punt ontbrak. Hij ontkende de beschuldigingen niet, hij kon er simpelweg niets over zeggen. Nadat hij met een barkruk op zijn hoofd was geslagen wist hij niets meer. Het zou kunnen dat hij naar het café was teruggekeerd. Het zou ook kunnen dat dat helemaal niet was gebeurd maar dat de verklaringen van de bezoekers vals waren, afgelegd om hun eigen gewelddadige gedrag te verbloemen. Arie kon er niets zinnigs over zeggen.

De aanwezigen in het café vertelden de politie later dat Arie inderdaad hard geslagen was met een kruk en dat hij daarna een verwarde indruk maakte. Het zou dus kunnen kloppen dat Arie niets meer wist. Maar het zou ook gespeelde vergeetachtigheid kunnen zijn. Onwetendheid als excuus voor iemand die al eerder wegens een geweldsdelict had vastgezeten.

Juridisch maakt het verschil of je welbewust, opzettelijk, tot strafbaar gedrag komt, of dat je dat per ongeluk doet. Willens en wetens is de norm. Maar wat als je niet eens weet wat je doet, in hoeverre ben je dan verantwoordelijk voor je gedrag? Ben je dan ontoerekeningsvatbaar?

Na maanden voorarrest lijkt het bijna onmogelijk om vast te stellen wat de geestestoestand van Arie was op het moment dat hij voor een tweede keer het café binnenkwam. En misschien betekent dat ook wel dat het onmogelijk is om een oordeel te geven over de verantwoordelijkheid voor vermoedelijk gepleegd geweld. Een ontoerekeningsvatbare verdachte kan niet worden gestraft.

Over de betrouwbaarheid van een herinnering kun je als deskundige vermoedelijk wel iets zeggen. Maar is objectief te toetsen hoe betrouwbaar het ontbreken van een herinnering is? Heeft Arie de ervaring uit het verleden echt niet in zijn geheugen opgeslagen?

Dit soort kwesties zullen tijdens de strafzaak aan bod komen als het gaat om de beschuldiging dat Arie opzettelijk met een mes, althans met een op een steekwapen gelijkend voorwerp, iemand eenmaal in de buik heeft gestoken en/of meerdere malen in de benen.

Opzet is het vermoeden, maar wellicht ook niet meer dan dat.

Stelselmatige daders

Een veertigjarige man fietst op een koopzondag door een voetgangersgebied in Alkmaar. Een toevallig passerende politieagent kent de haastige fietser en houdt hem staande. De tas aan het stuur lijkt op een geprepareerde tas. En de man is een bekende van de politie, een zogenaamde veelpleger. 

Bij controle door de agent blijkt het inderdaad om een geprepareerde tas te gaan.

Img_1292
In de tas zitten drie sportshirts nog in plastic verpakt. De man, vanaf dat moment verdachte, verklaart de tas kort daarvoor bij een vuilcontainer te hebben gevonden en op weg te zijn naar huis. Hij had nog geen mogelijkheid gezien in de tas te kijken. De man wordt aangehouden en meegenomen naar het politiebureau.

Na een voorarrest van drie maanden verschijnt de verdachte bij de meervoudige strafkamer. Een indrukwekkend strafblad dat dertig pagina's beslaat, een verslaving en de vrees voor toekomstig delictgedrag met alle overlast van dien, zijn voor de offcier van justitie reden de ISD-maatregel tegen de man te gaan eisen.

De zaak draaide juridisch onder andere om de vraag of er voldoende informatie bekend was over de verdachte. Een rechter kan namelijk de ISD-maatregel pas opleggen nadat hij zich heeft doen inlichten omtrent de wenselijkheid en noodzakelijkheid ervan. Eerdere veroordelingen kunnen op zichzelf niet leiden tot twee jaar opsluiting. Er zal concrete informatie moeten zijn wat er allemaal aan behandelalternatieven zijn geweest en waarom die tevergeefs waren.

ISD is niet voor niets een maatregel. Vergelding is niet de achterliggende gedachte; het doel is gedragsverandering en recidivevermindering.

Het onderscheid tussen een straf en een maatregel maakt al voldoende duidelijk dat de wetgever kennelijk ook wel beseft dat straffen niet tot gedragsbeïnvloeding zal leiden.

En concrete informatie was waar het bij deze verdachte aan ontbrak. De verdachte had al ruim twee jaren niet met de reclassering gesproken en in die tijd iedere bemoeienis geweigerd.

De rechtbank oordeelde op 25 januari 2011 in een (nog) niet gepubliceerd vonnis als volgt.

De strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte, in plaats van een gevangenisstraf, een maatregel op te leggen, inhoudende dat de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wordt geplaatst voor de duur van twee jaren (hierna: de ISD-maatregel).

De raadsman heeft, geheel subsidiair nu hij vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit, aangevoerd dat aan de verdachte niet de ISD-maatregel kan worden opgelegd, omdat een actueel rapport over de persoonlijke omstandigheden en een op de verdachte toegesneden behandeltraject ontbreekt. Als al gesteld zou kunnen worden dat wel aan dit wettelijke vereiste is voldaan, dan kan, gelet op de justitiële documentatie van de verdachte, niet gezegd worden dat oplegging van de maatregel in dit geval het karakter van een "ultimum remedium" heeft, zeker nu de mogelijkheid van het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel niet is onderzocht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt allereerst vast dat aan de formele vereisten die in artikel 38m, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht worden gesteld om de gevorderde maatregel te kunnen opleggen, is voldaan. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is de weigering van de verdachte om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar de wenselijkheid en de noodzakelijkheid van de oplegging van een ISD-maatregel op zichzelf niet hoeft te betekenen dat de maatregel niet zou kunnen worden opgelegd. Het vijfde lid van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht bepaalt immers dat de rechtbank zich in een dergelijk geval zoveel mogelijk van een ander advies of rapport, dat haar kan voorlichten over de wenselijkheid en de noodzakelijkheid van de maatregel, doet overleggen.

Bij de stukken bevindt zich een rapport van Palier gedateerd 5 januari 2011. In dit rapport is aangegeven dat geen advies wordt gegeven omdat de rapporteur niet met de verdachte heeft kunnen spreken. De verdachte heeft elke medewerking aan het onderzoek geweigerd. In het rapport wordt onder meer de delictsgeschiedenis en een samenvatting van eerdere omtrent de verdachte opgestelde rapporten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de verdachte het contact met de reclassering de afgelopen jaren heeft afgehouden en dat de keren dat er wel contact is geweest, dit niet heeft geleid tot een interventie. Ook het intensieve contact met het GAVO tot eind 2007 heeft geen gedragsverandering opgeleverd. Tot slot wordt in het rapport opgemerkt dat de rapporteur geen alternatieven ziet voor een onvoorwaardelijke straf en dat de ISD-maatregel wellicht kan motiveren tot gedragsverandering.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd advies een onvoldoende heldere uitspraak bevat over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van het opleggen van de ISD-maatregel. De enkele mededeling dat de maatregel mogelijk kan motiveren tot gedragsverandering, is- mede gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel- niet voldoende. Omdat het rapport onvoldoende grondslag biedt voor het antwoord op de vraag of oplegging van de maatregel thans wenselijk en noodzakelijk is, zal de rechtbank de gevorderde maatregel, die immers moet worden beschouwd als een uiterst middel, niet aan de verdachte opleggen.

In plaats daarvan zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf opleggen. 

Zonder dat daarvoor vermoedelijk een goed doordachte strategie aan ten grondlag heeft gelegen, was het de verdachte gelukt om uit handen van de gevangenis voor stelselmatige daders te blijven. Voor nu tenminste. 

Hij kreeg vergelding in plaats van een geforceerde gedragsverandering.

Was hij in De Schans terecht gekomen dan zou dat vrijwel zeker twee jaar opsluiting hebben betekend. De afgelopen jaren werd de verdachte gemiddeld viermaal per jaar door de politie aangehouden wegens diefstal. Het wachten is nu op de eerstvolgende keer. Of op het moment dat de verdachte zijn gedrag veranderen zal. Vrijwillig of in een gedwongen kader.

Of, zoals ik laatst een rechter hoorde zeggen: "er bestaat ook nog zoiets als een gedwongen vrijwillige gang naar de kliniek."

 

Gewapende overval

De verdachte waar ik op 7 november over schreef, is op 4 januari 2011 samen met een medeverdachte veroordeeld voor de overval op een supermarkt. Het persbericht van de rechtbank Alkmaar over de zaak is hier te zien. Het Promis-vonnis is nog niet beschikbaar.

De opgelegde straf van 36 maanden waarvan een deel voorwaardelijk, is een andere dan door de officier van justitie gevorderd. Weliswaar was de verdachte in het verleden eerder veroordeeld, maar omdat deze veroordelingen tijdens de minderjarigheid van de verdachte hebben plaatsgevonden, was de rechtbank van oordeel dat ze geen strafverhogend effect mogen hebben. Ook de veroordeling van de medeverdachte viel lager uit dan de wens van het openbaar ministerie.

Een deel van het requisitoir van de officier van justitie is hier te beluisteren.

Juridisch bestaat een gewapende overval niet. De rechtbank spreekt in navolging van het wetboek van strafrecht van diefstal met geweld, terwijl de gijzeling van winkelpersoneel door de rechtbank bewezen is verklaard onder de noemer wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Img_2116_zw_w

In het vonnis van de medeverdachte maakt de rechtbank een opmerking over het moment waarop deze verdachte tot zijn daad is gekomen. De man heeft de gewelddadigheden gepleegd in het laatste jaar van zijn opleiding, als gevolg waarvan hij zichzelf ernstig heeft benadeeld. En die benadelingshandeling strekt hem tot voordeel als het gaat om de strafoplegging. Opvallend.

Zou de verdachte anders (lees: zwaarder) gestraft zijn als hij een werkloze jongere was geweest zonder nagenoeg voltooide opleiding en toekomstperspectief?

Slachtoffers in een strafproces

Sinds 1 januari 2011 hebben slachtoffers meer bescherming in een strafproces.

Door inwerkingtreding van de Wet Versterking positie slachtoffers in het strafproces, krijgen slachtoffers een zelfstandige positie in het strafproces, met eigen rechten en bevoegdheden. De wet is ook van toepassing op nabestaanden van slachtoffers.

Een grote verbetering ten opzichte van de oude situatie heeft betrekking op de informatiepositie. Zo is de politie voortaan bijvoorbeeld verplicht om een slachtoffer schriftelijk te berichten als besloten wordt om van (verdere) opsporing van een verdachte van een strafbaar feit af te zien. Maar ook als de politie haar opsporingshandelingen heeft afgerond en het proces-verbaal instuurt aan het openbaar ministerie, ontvangt een slachtoffer daar in het vervolg bericht van. Op die wijze kan de voortgang van een dossier bewaakt worden.

Nieuw in de wet is verder de mogelijkheid voor een slachtoffer om alle processtukken in te zien. Waar tot voor kort alleen direct betrokken procespartijen als een verdachte en zijn advocaat, de rechters en het openbaar ministerie het strafdossier ontvingen, heeft nu ook een slachtoffer daar recht op. En dat niet alleen. Een slachtoffer krijgt zelfs de mogelijkheid om stukken aan het dossier toe te voegen.

De nieuwe wet heeft ook betrekking op de informatievoorziening aan slachtoffers nadat een proces is geëindigd. Als het gaat om gedetineerde veroordeelden, is het openbaar ministerie voortaan verplicht slachtoffers in te lichten over de voorgenomen datum van invrijheidstelling van een dader. Nu gebeurt dat alleen nog bij TBS-veroordeelden.

Het openbaar ministerie heeft op 13 december 2010 een beleidsregel vastgesteld die de nieuwe werkwijze in kaart brengt. De aanwijzing slachtofferzorg is hier te vinden.

Indien een slachtoffer door de rechter een schadevergoeding krijgt toegewezen, dan is het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) belast met de inning van de gelden. Maar iemand die niets heeft kan ook nauwelijks gedwongen worden zijn debitum te betalen. En omdat veel gedetineerden armlastig zijn, was deze werkwijze voor de meeste slachtoffers weinig bevredigend. Dat wordt met de zogenaamde voorschotregeling anders.

Indien het CJIB er niet in slaagt om binnen 8 maanden het geld van een veroordeelde geïnd te krijgen, keert de staat het slachtoffer de schadevergoeding uit.

Hiermee wordt een belangrijke frustratie van veel slachtoffers weggenomen en geldt niet langer het adagium recht hebben is iets anders dan recht krijgen.

Belangrijk is ook dat de nieuwe wet het slachtoffer een uitbreiding van zijn bevoegdheden geeft. Verplichtingen voor een slachtoffer komen er niet bij. Aangezien een deel van de slachtoffers van misdrijven helemaal niet zit te wachten op informatie en een nauwe betrokkenheid bij een proces, heeft iemand de keuze af te zien van zijn rechten. Het is ook mogelijk specifiek aan te geven van welke rechten iemand wel gebruik wil maken (Ja, ik wil wel weten wanneer een verdachte wordt vrijgelaten) en van welke niet (nee, ik wens geen strafdossier te ontvangen).

Als een slachtoffer daaraan behoefte heeft, dan kan er een beroep worden gedaan op de bijstand van Slachtofferhulp Nederland.

De volledige wet is te vinden via de website van de Eerste Kamer onder het kopje Staatsbladen.

 

En niets dan de waarheid...

De waarheid ligt soms heel dicht bij een leugen.

Een jonge vrouw werd door de rechter als getuige gehoord over een door haar gedane aangifte van huiselijk geweld. De (ex) vriend van de vrouw zou in maart van dit jaar onder invloed van drank en drugs volledig door het lint zijn gegaan en haar hebben geslagen en haren uit haar hoofd hebben getrokken. Verder vertelde de vrouw in haar buik te zijn getrapt waarna ze van de trap zou zijn gegooid.

De verdachte heeft vanaf het eerste moment alles ontkend.

Tijdens de behandeling van de strafzaak in juli liet de verdachte een brief van de aangeefster zien. In die brief stond dat ze spijt had van haar valse aangifte en dat ze hoopte dat alles weer goed kwam. Om te onderzoeken of deze brief inderdaad van de aangeefster was, besloot de rechtbank de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris. Die zou de vrouw als getuige moeten gaan horen over haar aangifte.

Zonder dat ik wist hoe de getuige er uit zag had ik weinig moeite om haar in de hal van de rechtbank te herkennen. Trillend en bevend wipte ze van de ene voet op de andere. Overduidelijk angstig en onzeker voor wat er stond te gebeuren.

Na de eerste vraag van de rechter begon de getuige te ontspannen en honderduit te vertellen. Er was helemaal niets gebeurd die nacht in maart. Ze was niet mishandeld door haar ex. Ze had veel te veel gedronken (een fles Belvédère wodka) en was bij thuiskomst een paar keer gevallen. Daar kwamen de verwondingen en het bloed vandaan. De verdachte viel niets te verwijten. Hij was weliswaar boos geweest omdat ze laat thuis was gekomen maar verder niets. Ze was met geen vinger aangeraakt. Het was haar eigen schuld. Die stomme drank ook.

De aangifte was een leugen geweest. Ze durfde de volgende dag niet naar haar werk omdat ze overal blauwe plekken had en voelde zich gedwongen een verhaal te verzinnen. En tijdens het opschrijven van het verhaal bij de politie kreeg ze steeds meer het gevoel dat ze niet meer terugkon. En dus maakte ze het alleen maar erger. Totdat de verdachte in de cel belandde. Toen had ze de waarheid omtrent haar leugen verteld.

"Bent u bang voor de verdachte", vroeg de rechter. "Ik mis hem", vertelde de getuige. Maar dat was natuurlijk geen antwoord op de vraag.

Getuigen worden bij de rechter-commissaris doorgaans niet onder ede gehoord. Als er na afloop van het verhoor nog onduidelijkheden of vragen blijken te zijn, kan de getuige altijd nog tijdens de uiteindelijke strafzaak opnieuw worden gehoord. En dat gebeurt dan wel onder ede.

Een getuige die niet onder ede staat kan geen meineed plegen.

Vanwege de aard van de zaak besloot de rechter-commissaris halverwege het verhoor de vrouw toch onder ede te gaan horen. "Dat betekent dat u de waarheid en niets dan de waarheid zult moeten verklaren. Als u dat niet doet pleegt u meineed. Zou u mij na willen zeggen, dat beloof ik."

"Dat beloof ik. Maar eh, mag ik vragen hoeveel er op meineed staat", kon de vrouw nog net uitbrengen voordat ze onbedaarlijk begon te snikken.

De getuige vertelde vervolgens dat haar aangifte wel degelijk waar was. Ze had de verdachte willen helpen en was naar de politie gegaan om haar aangifte in te trekken. Toen dat niet bleek te kunnen had ze hem geschreven dat het allemaal een leugen was geweest. Ze wilde niet dat hij werd gestraft, ze wilde hem terug.

Maar de cel in voor meineed was ook niet wat ze wilde.

Binnenkort zal de rechtbank de strafzaak opnieuw behandelen. Daar komt ook het verhoor van vandaag aan bod. Je zou kunnen zeggen dat de vrouw haar uiterste best heeft gedaan om de verdachte te helpen. Ze was bereid ver te gaan. Ze was zelfs bereid de waarheid te verdoezelen. Alleen zelf een misdrijf plegen was een stap te ver.

Waarheidsvinding, daar gaat het om in strafzaken. Rechters proberen gebeurtenissen te reconstrueren in de hoop op die manier bij de waarheid uit te komen. Alleen weet je achteraf nooit zeker of je de waarheid te pakken hebt.

Wat je wel zeker weet is dat de waarheid ook kil en donker kan zijn. En dat je daarom soms best begrip voor een leugen kunt hebben. Het zachte liegen in plaats van de harde waarheid.

Want hoe moet iemand zich gedragen die vlinders in haar buik heeft, maar ook tranen in haar ogen?