Buurman en buurman
De rechtbank Alkmaar heeft op 2 mei een mooi vonnis gewezen in een strafzaak die ging over de vraag hoe het gedrag van een verdachte juridisch gekwalificeerd zou moeten worden. Aan waarheidsvinding hoefde niet veel tijd te worden besteed; alle betrokken partijen waren het er in grote lijnen wel over eens wat er was gebeurd.
Maar welk juridisch etiket moest er op de verboden handelingen worden geplakt?
Een vijftigjarige verdachte drong op 8 januari van dit jaar in Kreileroord met een jachtgeweer het huis van zijn overbuurman binnen, waarna tijdens de worsteling die volgde een schot werd gelost. Gelukkig raakte er niemand gewond. RTV Hollands Kroon schreef op 20 april 2012 uitgebreid over de zaak.
De officier van justitie was van mening dat het gedrag van de verdachte als poging tot moord, dan wel poging tot doodslag gezien moest worden. Door tijdens de ontstane wordteling een vinger bij de trekker van het geladen geweer te houden heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het wapen tijdens die worsteling zou afgaan en het slachtoffer gedood had kunnen worden, zo vond de officier.
Tijdens mijn pleidooi op 18 april heb ik ondermeer aangevoerd:
'Verdachte heeft weliswaar een wapen meegenomen, maar voor de aanmerkelijke kans dat iemand hierdoor dodelijk wordt verwond is meer nodig. Verdachte was zich in ieder geval niet bewust van deze aanmerkelijke kans en heeft deze ook niet bewust aanvaard. Bovendien was sprake van een worsteling en het trekken aan de verdachte door de aangever waardoor het wapen is afgegaan. Deze van buitenaf komende handeling was nodig om het gevolg te laten intreden. Gelet op het standaardarrest over voorwaardelijk opzet (NJ 2003, 552) is hiervan in het onderhavige geval geen sprake.'
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van poging tot moord en poging tot doodslag en overweegt het volgende:
'Om tot een bewezenverklaring van de poging tot moord dan wel de poging tot doodslag te kunnen komen, dienen de vragen te worden beantwoord of de verdachte het voornemen had een moord of doodslag te plegen en of dit voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad zijn gedragingen aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, als zij naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Daarnaast is het noodzakelijk dat de uitvoeringshandeling door de verdachte is verricht. De in de tenlastelegging opgenomen uitvoeringshandeling is het (meermalen) overhalen van de trekker van dat vuurwapen. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van de verdachte noch uit die van de aangever blijkt dat de verdachte die feitelijke handeling heeft verricht. De aangever heeft immers duidelijk verklaard dat hij wilde dat het wapen afging en dat hij degene was die zijn hand over die van de verdachte heeft gelegd en met zijn middelvinger heeft geprobeerd om de trekker over te halen, hetgeen hem uiteindelijk door hard te trekken lukte (...).'
Wel is de verdachte veroordeeld wegens bedreiging en verboden wapenbezit. Dat wekt geen verbazing. De verdachte zelf had verklaard dat hij de aangever de angst van zijn leven wilde bezorgen. Volgens de rechtbank past de gedraging van de verdachte in dat beeld.
Aangezien voor bedreiging en overtreding van de Wet wapens en munitie straffen van een geheel andere orde worden opgelegd dan voor poging tot moord of doodslag, zal de verdachte binnenkort vrijkomen. Of de verdachte dan weer zijn intrek in zijn eigen woning zal nemen, gelegen tegenover de woning van de bedreigde, is nog niet bekend.




